Zwijnen
Terwijl ik zojuist lees dat Mathieu in het Zeeuwse Hulst zijn achtste wereldtitel veroverde, zal menig kijker met genoegen gekeken hebben naar het geploeter door de modder. Het gadeslaan van sporters die hevig afzien onder barre omstandigheden is immers een plezier dat sportfans gemeen hebben. De reden van dat enthousiasme is gelegen in de omstandigheid, dat wij comfortabel bij de cv zitten. Of in de zon, zoals zo dikwijls in de arena’s van de oudheid.
Men zag destijds, comfortabel gezeten op een kussentje, hoe een gillend wegrennende slaaf werd achterhaald door een leeuw, waarna het reeds maanden op een hongerdieet gezette dier eerstgenoemde oppeuzelde. Dat was doorgaans het voorprogramma, waarna gladiatoren langdurig streden totdat er eentje overbleef. Hoewel ik vermoed dat menig lezer zich thans van genoegen in de handen wrijft, wat als verwerpelijk kan worden beschouwd, ontleen ik zelf veel genoegen aan prutzooi.
Als trainer van een groep ongeregeld, die gemeen heeft dat er veel en vaak gekletst wordt waardoor een ieder weinig meekrijgt van mijn aanwijzingen, heeft deze club atleten een enigszins rudimentair ontwikkeld besef om achter mij aan te rennen. Dat noopt mij om vooruit te ijlen en daarbij een uitdagend parcours te kiezen. Eens per twee weken verzamelen wij ons in het plaatselijke bos. Reeds een onbenullig buitje is genoeg om dat dat omvangrijke perceel in een modderpoel te veranderen. Nu, dat biedt een wenkend perspectief.
Er is wat sport betreft weinig dat kan tippen aan het zwoegen door een ondergrond, bestaande uit zandgrond en veel water en dus enkeldiepe modder. Immers, sinds onze vroegste jeugd werd smerig thuiskomen door ouders als een verwerpelijke daad bestempeld. Reinheid en regelmaat was het devies. Ik zou thans zeggen: rotzooi en regelmaat. Men waant zich weer een kind, dat maling heeft aan de door hygiëne gedreven waarschuwingen van een ouder. Want nee: laat ons wentelen in de modder. Heerlijk! Zwijnen heet dat.
Erik Endlich


